Voorrangsregels, situatie voor situatie

Voorrang verlenen betekent: de ander ongehinderd laten doorrijden. In de tekeningen hieronder ben jij blauw en gaat nummer 1 als eerste. Zo zie je in één oogopslag wie er aan de beurt is.

  • Jij
  • De ander
  • 1gaat als eerste

01

Gelijkwaardig kruispunt

21

Geen borden, geen haaientanden en geen verkeerslichten: dan is het kruispunt gelijkwaardig. Je verleent voorrang aan iedereen die van rechts komt, of dat nu een auto, een fietser of een bromfietser is. Wie er het eerst was, maakt niet uit.

02

Voorrangsweg en haaientanden

21

Het gele ruitbord (B1) staat langs de voorrangsweg: daar heb jij voorrang. Kom je van een zijweg met het bord B6 en haaientanden op het wegdek, dan verleen je voorrang aan al het verkeer op de voorrangsweg. Stoppen hoeft niet, als je maar niemand hindert.

03

Stopbord

21

Bij het bord B7 stop je altijd, ook als je van ver ziet dat er niemand aankomt. Je stopt vóór de stopstreep, kijkt beide kanten op en verleent voorrang aan al het verkeer op de kruisende weg.

04

Rechtdoor gaat vóór afslaand verkeer

12

Op dezelfde weg gaat rechtdoorgaand verkeer vóór verkeer dat afslaat. Ga jij rechtdoor en wil een tegenligger linksaf, dan moet hij jou voor laten gaan. Dat geldt ook voor fietsers en voetgangers die rechtdoor gaan als jij afslaat.

05

Rotonde

21

Bijna alle rotondes hebben haaientanden bij de toerit: het verkeer dat al op de rotonde rijdt, gaat voor. Verlaat je de rotonde, dan geef je richting aan naar rechts en let je op fietsers en voetgangers die vlak na de afrit oversteken.

06

Uitrit en inrit

21

Kom je van een uitrit, een oprit, een tankstation of een parkeerterrein de weg op, dan ben je een uitritter: je verleent voorrang aan álle weggebruikers op de weg, ook aan fietsers en voetgangers op het trottoir dat je kruist.

07

De tram

21

Op een gelijkwaardig kruispunt gaat de tram altijd voor, ook als hij van links komt. Alleen als de tram zelf haaientanden of een stopbord heeft, of als verkeerslichten iets anders zeggen, gaat die regel niet op.

08

Voorrangsvoertuig

21

Een politieauto, brandweerwagen of ambulance met zwaailicht én sirene is een voorrangsvoertuig: je laat hem altijd voorgaan. Rem rustig af, ga zo veel mogelijk naar rechts en rijd pas door als je de weg vrij kunt maken zonder gevaar.

09

Zebrapad

21

Voetgangers die op een zebrapad oversteken of duidelijk op het punt staan over te steken, laat je voorgaan. Nader een zebrapad daarom altijd met een snelheid waarbij je nog kunt stoppen, en haal er vlak vóór niet in.

Klaar voor je eerste rijles?

Plan een vrijblijvende proefles en ervaar zelf hoe het rijdt.

Bellen Plan proefles